Geloofsbelijdenis

 

De Bijbel en God

  1. De Bijbel, bestaande uit de 66 boeken van het Oude Testament en het Nieuwe Testament, is het geïnspireerde, onfeilbare en gezaghebbende Woord van God: “Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is” (2 Tim. 3:16).
  2. Er is één ware God, eeuwig aanwezig in drie personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. God is eeuwig, oneindig, soeverein, alwetend, alomtegenwoordig, almachtig, onveranderlijk, heilig, rechtvaardig, liefdevol, barmhartig, genadig en goed.
  3. Jezus Christus is de Zoon van God, het Levende Woord (Joh. 1:1-5), die bij de Vader was, eer de wereld geschapen was (Joh. 17:5). Volledig God zijnde en blijvende is Hij mens geworden, ontvangen van de Heilige Geest en geboren uit de maagd Maria (Jes. 7:14).
  4. Hij leefde een leven zonder zonde (1 Pe. 2:22) en legde zijn leven gewillig af bij zijn kruisiging (Joh. 10:17, 18), om voor onze zonden te boeten. Na drie dagen in het dodenrijk stond Hij op uit de doden in het zelfde lichaam, doch verheerlijkt, waardoor hij de dood overwon.
  5. De Heilige Geest is in de wereld gekomen om Jezus Christus te verkondigen en te verheerlijken. Hij is de Trooster (Joh. 14:26) en de Geest der waarheid (Joh. 16:13), welke van Jezus getuigt (Joh. 15:26), bidt voor de gelovigen naar de wil van God (Rom. 8:26, 27), de wereld overtuigt van zonde (Joh. 16:8), zondaars vernieuwd (Titus 3:5) en ze naar Christus trekt. De Heilige Geest is soeverein in het uitdelen van spirituele gaven (1 Ko. 12:11).

De schepping en de zondeval

  1. In het begin, ongeveer 6000 jaar geleden, schiep God de wereld en alles daarin in zes letterlijke 24-uur durende dagen. Aan het eind van Zijn scheppende werkzaamheden “zag God al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed” (Gen. 1:31).
  2. Onder Gods schepsels was Satan, de gezalfde cherub, die “vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid” was (Eze. 28:12,14). Door zijn schoonheid werd hij vervuld met trots en zondigde tegen God (Eze. 28:15,16). Vervolgens verleidde Satan Eva in de Hof van Eden door te ontkennen dat ze zou sterven na het eten van de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad en door haar te beloven dat ze “als God” zou zijn, “kennende het goed en het kwaad” (Gen. 3:4,5).
  3. Toen Adam en Eva zondigden, vervloekte God de aarde (Gen. 3:17) en de dieren (Gen. 3:14). Dood (zowel lichamelijk als geestelijk), pijn, lijden en bloedvergieten kwamen in de wereld als directe consequentie van de zonde (Gen. 3:19). De gehele wereld zucht nu onder de vloek (Rom. 8:22).
  4. Nadat Adam en Eva uit de hof van Eden waren verbannen (Gen. 3:24), begonnen ze kinderen te krijgen. Elk kind erfde Adam’s zondige natuur en elk kind kwam in opstand tegen zijn of haar Schepper. Iedereen is een afstammeling van Adam en Eva en heeft dezelfde zondige natuur geërfd (Rom. 5:12)
  5. Door onze zonden zijn we van God gescheiden: “Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods” (Rom. 3:23). De straf voor onze zonde is de dood (Rom. 6:23), zowel lichamelijk als geestelijk (de tweede dood; Openb. 20:14).

Verlossing

  1. Ondanks onze zonden heeft God ons lief en heeft Hij een Verlosser gezonden: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe” (Joh. 3:16). Alzo: “Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren” (Rom. 5:8).
  2. Jezus Christus heeft door zijn zondeloze leven en kruisdood de prijs voor onze zonde betaald: “Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien énen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden” (Rom. 5:19).
  3. We kunnen zalig worden door in Jezus te geloven: “Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden” (Rom. 10:9). Alzo: “Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden” (Rom. 10:13).
  4. Als we Jezus als onze Verlosser hebben aangenomen, zullen we niet verdoemd worden: “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest” (Rom. 8:1). Alzo: “Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeelt, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God” (Joh. 3:18).
  5. Onze verlossing en geloof zijn niet van onszelf, maar van God: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave” (Ef. 2:8).